Checklist nieuw kind

Wat te doen wanneer er een nieuw kindje komt? Het is de verantwoordelijkheid van de mentor om dit formulier in te vullen.

Kind gegevens

Kindnummer is te vinden het systeem
Dit formulier wordt ingezonden door de mentor van het kind.

AUB pas indienen nadat de volledige checklist is doorlopen. Op deze manier voorkomen we dat we een onderdeel over het hoofd zien.

PROTOCOL: KINDERMISHANDELING en GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG

De wetgeving rondom de Meldcode is aangepast: melden bij Veilig Thuis wordt bij vermoedens van acute en structurele onveiligheid verplicht. Om pedagogisch medewerkers (en andere beroepskrachten die werken met de Meldcode) te helpen bij het bepalen of er sprake is van deze vermoedens, is er een afwegingskader aan de Meldcode toegevoegd.

Hieronder zie je en video over de verbeterde meldcode: 

 

5 stappen binnen meldcode, met het nieuwe afwegingskader:

  • Stap 1: In kaart brengen van signalen
  • Stap 2: Collegiale consultatie en bij twijfel Veilig Thuis en/of een letseldeskundige
  • Stap 3: Gesprek met de ouder (en indien mogelijk met het kind)
  • Stap 4: Wegen van het geweld en bij twijfel altijd raadplegen van Veilig Thuis
  • Stap 5: Beslissen aan de hand van afwegingskader

Bij twijfel over een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling is het verplicht om Veilig Thuis te raadplegen.

Heeft u vragen of wilt u meer informatie over de rol van onze aandachtsfunctionaris? Bezoek dan onze speciale informatiepagina via hier

De volledige versie van het protocol dat geldt binnen Nuna Kinderopvang kun je hier in pdf downloaden.

In het Protocol kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag komen ook de volgende onderwerpen aan bod:

  1. Meldplicht bij een vermoeden van een geweld- of zedendelict door een medewerker
  2. Seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling

Bijlagen, waaronder:

  • Signalenlijst kindermishandeling 0- tot 4-jarigen
  • Signalenlijst kindermishandeling 4- tot 12-jarigen
  • Observatielijst
  • Het kinddossier

De sociale kaart van de regio Eindhoven vind je hier

Medewerkers Nuna Kinderopvang installeren de app Meldcode ko uit de App Store of Play Store.

PROTOCOL: MENTORSCHAP

Visie en doelstelling

Vanuit de pijler dat de ontwikkeling van het kind centraal staat (Wet IKK 2018) heeft ieder kind binnen Nuna Kinderopvang een mentor. Binnen Nuna is de invulling van het mentorschap veel meer dan het toewijzen. Het mentorschap is gebaseerd op de 4 pedagogische basisdoelen van Marianne Riksen net zoals het algemene pedagogische beleid van Nuna Kinderopvang. De mentor van een kind zorgt  dat er pro- en interactief met het specifieke, unieke kind wordt omgegaan, steeds rekening houdend met zijn/haar ontwikkelingsfase. 

Mentor toewijzen

De mentor is een pedagogisch medewerker die het kind regelmatig ziet en het kind ook echt kent. Het streven is dat de mentor een aantal dagdelen aanwezig is op de groep waarin het kind opvang krijgt. De mentor werkt samen met een assistent mentor en in de personeelsplanning streven wij ernaar dat een van beide aanwezig is bij Nuna. De mentor en assistent zullen steeds overleg hebben waarbij de mentor het aanspreekpunt is en de eindverantwoording draagt. Het toewijzen van een mentor wordt opgenomen in de ‘checklist’ voor nieuwe kinderen.

Voor de intake op de eerste kennismakingsdag wordt aan de ouders meegedeeld wie de mentor van hun kind is. Deze informatie wordt tevens schriftelijk vastgelegd op de groep. Wanneer een kind overgaat naar de combinatiegroep/ BSO, wordt het mentorschap overgedragen aan een andere mentor. Er wordt een overgangsgesprek gevoerd met de ouders, de huidige mentor en de nieuwe mentor.

Zowel de ouders als het kind worden op de hoogte gebracht van wie de nieuwe mentor is.

Competenties van de mentor

Goed mentorschap stelt hoge eisen aan de beroepskracht. Het vraagt een groot empathisch vermogen. Een mentor moet sociale situaties kunnen inschatten en inspelen om de ondersteuningsvragen van kinderen. Een mentor is altijd objectief. De pedagogisch coach van Nuna zal de medewerkers begeleiden en ondersteunen in het mentorschap.

Verantwoordelijkheden en taken van de mentor:

De mentor volgt, stimuleert en begeleidt de ontwikkeling van het kind en zet hiervoor zijn/ haar kennis, bekwaamheid, competenties en (levens)ervaring in. De mentor stimuleert en ondersteunt de ontwikkeling van het kind door middel van individuele aandacht en passende begeleiding binnen de dagelijkse opvangsituatie. Het stellen van doelen kan hierbij een belangrijk instrument zijn. De mentor:

  • kent het kind met leefomgeving en bewijst dit door het kind in een zogenaamde ‘elevator pitch’ neer te zetten (30-60 seconden). (leeftijd/ hoelang bij Nuna/ aantal/welke dagen opvang/ gezinssituatie/ eet- en slaapritme/ activiteiten / hechting/ ontwikkelingsfase (grove en fijne motoriek, cognitief, sociaal, emotioneel/enz.) waar op dit moment aan ‘gewerkt’ wordt binnen de 4 pedagogische leerdoelen. De mentor betrekt – in overleg met ouders – relevante informatie over de thuissituatie bij de begeleiding van het kind, met inachtneming van privacywetgeving.

  • is het eerste aanspreekpunt voor de ouders/ verzorgers met betrekking tot de dagelijkse gang van zaken. Deze weten dan ook hoe en wanneer de mentor te bereiken en is en wie ‘assistent mentor’ is. In de BSO ook voor het kind zelf. De mentor is het eerste aanspreekpunt voor ouders/verzorgers bij vragen of zorgen rondom het kind. Wanneer ouders een klacht hebben, kunnen zij dit bespreken met de mentor, de directie of – indien gewenst – rechtstreeks gebruikmaken van de geldende klachtenregeling en geschillenprocedure. Het klachtenprotocol en informatie over de geschillencommissie zijn beschikbaar via onze website onder het kopje Interne klachtenregeling.
  • vervult een belangrijke rol bij de intake en het wenproces bij de start van de opvang, zoals nader beschreven in hoofdstuk 5.5 van het pedagogisch beleidsplan.
  • bewaakt het algehele welbevinden en dagritme van het kind. Een extra aandachtspunt is hierin dan zeker het alert zijn op signalen die te maken zouden kunnen hebben met vormen van kindermishandeling (is bekend met het stappenplan binnen de PROTOCOL: KINDERMISHANDELING en GRENSOVERSCHRIJDEND GEDRAG)

  • Bijhouden van het kinddossier, papier en digitaal

  • Heeft een coördinerende rol bij (langdurig) medicijngebruik en volgt hierbij het PROTOCOL: MEDICIJNTOEDIENING EN VOORBEHOUDEN MEDISCHE HANDELINGEN

  • zorgt ervoor dat speciale wensen, met betrekking tot de verzorging en/of begeleiding van het kind, bij alle betrokken pedagogisch medewerkers bekend zijn. De mentor maakt zo nodig afspraken en bewaakt de voortgang hiervan.

  • observeert het kind en zorgt dat de bevindingen in het kind dossier verwerkt worden. Hierbij wordt eventueel gebruik gemaakt van het observatieformulier.

  • voert de 10-minuten gesprekken en vult het formulier in dat bij deze 10-minuten gesprek hoort. 

  • houdt verjaardagen en belangrijke gebeurtenissen bij door extra aandacht aan het feit te besteden en/of het maken van een attentie.

  • Draagt tijdig zorg voor een goede overgang tussen twee verschillende opvangsoorten zoals overgang naar andere groep, basisschool en/of BSO (wennen, overdracht kind dossier, maken van afspraken)

  • Bij beëindiging van de opvang, houdt de mentor een eindgesprek(je) met de ouders en geeft eventuele bijzonderheden door aan de leidinggevende. 

Note:

Ondanks dat het mentorschap verplicht is, willen wij benadrukken dat alle pedagogisch medewerkers contact blijven houden met alle ouders/ verzorgers en kinderen van de groep. Wij willen voorkomen dat ouders of kinderen zich nog maar op één pedagogisch medewerker gaan richten. De mentor van een kind zal bovenstaande punten regelen, maar men kan te allen tijde bij elke medewerker of het management terecht.

PROTOCOL: BIJTEN DIEREN

‘’Ondanks voorzorgsmaatregelen… een verwonding opgelopen’’

Behalve het risico op een infectie zijn er ook andere risico’s als kinderen rechtstreeks bij de dieren kunnen komen. Zij kunnen bijvoorbeeld gewond raken bij het buitenwandelen of dieren in onbedoeld binnen komen.

Wat is een bijtwond?

U bent gebeten door een hond, kat, paard, konijn of cavia, of een ander dier. We noemen het een bijtwond als de beet echt door de huid heen gaat.

Wat zijn de verschijnselen van een bijtwond?

  • Een bijtwond ziet er zo uit:
  • Soms zit er een blauwe of rode plek.
  • De huid is geschaafd, opengescheurd of doorgeprikt.

Vaak hebben de punten van de tanden kleine gaatjes in de huid gemaakt.

Een bijtwond kan flink bloeden en pijn doen. Soms is ook een pees, gewricht, zenuw of bot beschadigt.

Hoe ontstaat een bijtwond?

Dieren die zich bedreigd voelen gaan vluchten of aanvallen. Kunnen ze niet weg, dan bijten ze.

Eerste hulp bij een bijtwond

Spoel de bijtwond goed uit onder de kraan met lauw water. Je mag ook gewone zeep gebruiken om de wond uit te wassen. Dek een grote wond na het uitwassen af. Bijvoorbeeld met een schoon verband of een schone doek. Neem daarna contact op met uw huisarts.

Uw huisarts hecht een bijtwond meestal niet. In de wond kunnen bacteriën zitten van het dier dat u gebeten heeft. Door de wond te hechten kunnen die bacteriën niet meer naar buiten. De kans op een ontsteking is dan groter. Daarom laten we ook grotere bijtwonden meestal open. Bij beschadiging van een pees, gewricht, zenuw of bot stuurt de huisarts u door naar de chirurg in het ziekenhuis.

Medicijnen bij een bijtwond

Tetanusinjectie:

Bij elke bijtwond is er kans op een infectie met tetanus.

Tetanus is een infectieziekte die zeer ernstig kan zijn. Gelukkig komt tetanus in Nederland bijna nooit voor. De meeste mensen in Nederland zijn tegen tetanus ingeënt (vaccinatie). Kinderen in Nederland worden door het consultatiebureau ingeënt op de leeftijd van 6-9 weken, 3, 4 en 11 maanden, en bij 4 en 9 jaar. Na die laatste inenting houdt de bescherming 10 jaar aan. Kinderen zijn zo vanaf 4 maanden tot ongeveer hun 19e jaar beschermd tegen tetanus. Na die tijd is een nieuwe  inenting nodig, als zij extra kans lopen op een infectie met tetanus bijvoorbeeld door een bijtwond.

  • Bent u nooit ingeënt? Dan is het belangrijk dat u zo snel mogelijk een prik krijgt met antistoffen tegen tetanus. U krijgt meteen ook een andere prik (inenting) die ervoor zorgt dat u zelf antistoffen maakt tegen tetanus. Na één maand en na zes maanden moet u weer zo’n inenting halen.
  • Is uw laatste inenting tegen tetanus langer dan 10 jaar geleden? Dan krijgt u een herhalingsprik. Dit kan eventueel een dag na de beet gebeuren.

Antibiotica:

In sommige gevallen krijgt u antibiotica om de kans op een infectie te verminderen. Bijvoorbeeld:

  • bij een mensenbeet of kattenbeet;
  • bij bijtwonden aan hand, pols, been of voet;
  • bij diepe ‘tandprikbeten’ die u moeilijk kunt uitspoelen en die weinig bloeden;
  • bij bijtwonden met rafelige en gekneusde wondranden (paardenbeet/koeienbeet);
  • als uw weerstand verminderd is;
  • als u een bepaalde chronische aandoening heeft, zoals diabetes mellitus.

Neem na een bijtwond altijd zo snel mogelijk, bij voorkeur direct na de gebeurtenis telefonisch contact op met huisartsenpraktijk van het kind. Het kan zijn dat er een tetanusinjectie of antibiotica nodig is.

Aanmelden

Wilt u meer informatie over onze mogelijkheden, vul dan het aanmeldformulier in. 

Aanmeldformulier

Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account